De grens

Vier dagen na de aanslagen in Brussel zitten we in Leuven. De grens tussen Nederland en België bleek die ochtend net zo goed geen grens als voor 22 maart. Geen douane, geen politie, geen militair gezien.

In Leuven was een festival aan de gang waarbij de mensen zich verkleed hadden met kleren uit de negentiende eeuw – de negentiende eeuw in België, niet die in Afrika of het Midden-Oosten. Ze liepen op klompen en maakten vrolijke volksdansjes. Ze deelden koekjes uit.

Niets wees op de aanslagen van vier dagen geleden, geen patrouilles met mitrailleurs zoals in de hoofdstad een half uur rijden verderop. Geen moslims ook. Althans geen moslims die te herkennen zijn aan hun hoofddoek of djellaba. De Leuvenaren en hun gasten speelden het België van vroeger na en waar de moslims gebleven waren, was een raadsel.

In de stadsschouwburg boog een ernstig gezelschap zich over het fenomeen van de grens. Het Feest van de Filosofie met het thema Over de grens was al maanden van te voren beklonken en de meeste sprekers verwezen niet naar de aanslagen van vier dagen tevoren.

Frank Furedi vluchtte als kind met zijn vader en moeder Hongarije uit, vlak voordat de Russen het land overnamen. Het was zijn eerste existentiële ervaring van een grens. Aan de nieuwe kant van de grens groeide hij uit tot een beroemd socioloog. Furedi legde het gedrag van mensen, en in het bijzonder het gedrag van landverhuizers, uit aan de hand van twee diepe drijfveren: het verlangen naar veiligheid en het verlangen naar transgressie.

Met het eerste verlangen trekken we grenzen, met het tweede overschrijden we de grenzen. Als je pech hebt, zoals nu de Syrische vluchtelingen in Turkije, vallen beide verlangens samen aan de verkeerde kant van de grens.

Wereldwijd gezien heeft een toevallige minderheid van staten de balans tussen de twee oerverlangens politiek voor elkaar, althans zolang er niet te veel aanslagen zijn. Net na de Twin Towers, net na Madrid, net na Londen, net na Parijs, net na Brussel laait aan onze kant van de grens de angst kortstondig op, maar vier dagen later doen wij de klompendans weer.

Tom Lanoye maakte een paar uur later in zijn grensverleggende literatuurtheater een einde aan het festival, met een nieuwe definitie voor Europa, het continent dat tegen de rest van de wereld zegt: Wij hebben de gelijkheid uitgevonden, daarom zijn wij superieur.

 

 

Grounds

We stonden op het podium van Grounds in Rotterdam, een entre’act op een uitverkocht Mystic Festival. Rechts van me blies Julia Orthmann op haar basuri en plukte Stan Stolk aan de snaren van zijn contrabas. Boven onze hoofden zond een beamer beelden van de Sahara uit. Onvast begon ik teksten te declameren uit Vagebond en The Oblivion Seekers van Isabelle Eberhardt.

Soefi’s uit alle windstreken, maar vooral uit Noord- en Zuid-Holland, zaten bijeen op oude Perzische tapijten. Ik beeldde me in dat zij ademloos zaten te luisteren.

Wilde ik tegen beter weten in daar weer de mooiste, de slimste, de boeiendste zijn, en in een vlaag van prezzatura spelen dat dit soort drijfveren mij koud laten? Dat ik in plaats daarvan losjes gericht ben op, ja op wat eigenlijk, of nog beter: dat ik helemaal nergens op gericht ben?

Vooraf had ik op de site van de Universiteit van Nederland gekeken naar een college van retoricus professor doctor Eugène Sutorius over het bespelen van publiek. Hij legde het Italiaanse woord prezzatura uit, zijn lievelingswoord: met de schijn van moeiteloosheid.

Dagen en nachten had ik met de tekst rond gelopen, eerst op papier, daarna in mijn hoofd, repeterend, totdat de woorden min of meer vloeiend over mijn lippen kwamen.

Vrij is wie nergens aan vast zit, wie niet hoeft te reageren, wie zich laat meevoeren door de stroom, in lucide vergetelheid, ongeacht waarheen de stroom leidt.

Na afloop aan de bar vroegen mijn vrienden: waar gaat het je om? Ik stamelde wat over vrijheid en vrijdenkers, over parallelle wegen van filosofie en mystiek, dat deze wegen elkaar niet uitsluiten, maar complementair zijn en dat ik clichés als eenheid en leven in het hier en nu wil vermijden als een enge ziekte.

Waar ben je bang voor?, vroegen ze. Bang om gek te worden. Om de connectie met de mensen om me heen te verliezen.

Ha, zeiden ze vrolijk, die ben je allang kwijt.

 

IMGP0021 copySoundcheck in Grounds

 

 

Toekomstlust

Als iedere reis met een droom begint, dan begon mijn droom over Lagos met een zinnetje van Richard Poplak in The Globe and Mail.

Here you’ll find the planet’s warp-drive propulsion system, generating all of our restless striving, boundless hope, and manic aggression; here you’ll find our terror at the sheer speed of life as it’s lived today.

Lagos! omdat het een stad is die uit zijn voegen barst van toekomstlust, waar meer mensen wonen dan in heel Nederland bij elkaar, een broeinest van maniakale creativiteit, waar jonge mensen muziek maken die nooit eerder gehoord is en oude mensen boeken schrijven die nooit eerder gelezen zijn, waar Nollywood films maakt waar Hollywood en Bollywood nog niet van kunnen dromen, en omdat dit alles bij elkaar die oude beelden wegvaagt van Afrika als het continent van de wanhoop.

Maar eigenlijk omdat Teju Cole er vandaan komt.

Dromend over Kyoto

Terug is Amsterdam is Japan niet langer een land waarin ik de weg steeds kwijtraak, maar een droomland, niet echt te onderscheiden van de andere landen waar ik niet ben.

Het verlangen om ergens anders te zijn dan je bent, in Japan bijvoorbeeld, gaat voorbij aan je lichamelijke aanwezigheid ter plekke. Te vergelijken met kijken naar een film. In de bioscoop voel je de misselijk makende hitte van de woestijn niet waarnaar je zit te kijken. Dromend over Kyoto voel ik de vermoeidheid niet, die uit mijn tenen optrok toen in Fukui bleek dat de geldautomaten mijn bankpas niet accepteerden, en ik niet kon inchecken bij de eerste drie hotels waar ik aanklopte.

Ik droomde vannacht over de boeddhistische monnik die ik in de bergen tegenkwam, ik vroeg hem wat hij doet als hij lichamelijke lust voelt opkomen. Als antwoord bladerde hij in een boek (wat ik eerder zag in de Tibetaanse speelfilm Samsara), waarin minnende geliefden onder elkaars liefkozingen veranderen in de skeletten die ze eens zullen zijn. Dat doofde zijn lust wel uit.

Die lichamelijke aanwezigheid ter plekke maakt alle verschil. Het bewegende lijf – op zoek naar voedsel en een slaapplek – neemt ruimte in waarin ook andere lijven zich bewegen, en als je niet oppast, botsen ze tegen je aan, al zal dat op de trottoirs van Kyoto minder snel voorkomen dan in Lagos, stel ik me voor, maar dat kan in het echt wel heel anders zijn, want in die stad was ik nog nooit als lichaam tussen andere lichamen.

Lagos, dat is mijn volgende Tokyo.

Amsterdam, 14 mei 2014 | zie ook Japan in Image lab

Expert’s mind

In een buitenwijk van Tokyo deed ik vanmorgen mijn ogen open en keek op mijn iPhone. Te laat ontwaakt, veel te laat. Gisteravond belandde ik in een restaurant met Yoshimi, die me voorstelde aan een documentairemaker en zijn assistente, die me inlichtte over de Japanse maffia.

De documentairemaker hield zijn mond, hij had het alleen maar over Amsterdam, waar hij drie jaar geleden meisjes met lange benen aantrof die in minirokjes door de stad fietsten. De weg naar het Van Gogh Museum kon hij niet vinden, maar de Heineken Brouwerij, waar hij gratis! bier dronk, vormde geen probleem.

De assistente van de documentairemaker vertelde met grote ogen over de black power. De Japanse maffia. Hand in hand met machtige industriëlen, politici en ambtenaren hebben ze het land in de tang. Ze zorgden ervoor dat Japan hoog ontwikkeld, efficiënt en welvarend werd en ze waken ervoor dat het zo blijft. Wat de bevolking wil, bijvoorbeeld afschaffing van kernenergie, kan ze niks schelen.

Het ‘Systeem’ zorgde voor de bouw van 52 kerncentrales, op plekken waar elk moment een aardbeving kan plaatsvinden, zoals in Fukushima in 2011. De assistente zegt dat black power de dagloners ronselt. Zij trekken van kerncentrale naar kerncentrale om het gevaarlijke werk te doen. Ze slikt en zegt: we noemen ze nucleaire slaven.

Yoshimi kijkt verdrietig, ze fluistert: er is niets wat de gewone Japanner kan beginnen tegen het Systeem. Ik ben hier tweeënhalve week en de schaduwzijde van Japan, dat wonderlijk mooie, gesloten open, warme koude, diep oppervlakkige, efficiënt geregelde land, laat zich zien.

We dronken groene thee, maar het werd wel laat.

Mijn kamer ligt nog overhoop, mijn kleren moet ik nog passend in mijn koffer zien te krijgen, laptop en camera’s nog in de rugzak.

Ik keek op mijn iPhone hoe lang het duurt om met de metro, de trein en de monorail op Hameda International Airport te komen. Drie uur en tien minuten, dat is te lang, die tijd is er niet. Lichte paniek. Mijn Japan Rail Pass is verlopen, ik moet een los kaartje kopen van 4900 yen, dat heb ik niet meer in mijn portemonnee, de herbergier wilde gisteravond uitsluitend cash zien.

In the beginner’s mind there are many possibilities, in the expert’s mind there are just a few. Zenmeester D. T. Suzuki (zie: Bungy jumpen)

Mijn beginner’s mind neemt een vlucht. In deze buurt is vast geen geldautomaat te vinden die mijn Europese bankpas accepteert en ik weet niet welke richting ik de metro moet zoeken. Ik mis het vliegtuig, ik moet een veel te duur ticket voor het volgende vliegtuig kopen, en hier nog een nacht blijven. De reis die tot nu toe low budget was, brengt me op het randje van faillissement. Dat vliegtuig haal ik niet, ik kan geen drie uur reistijd in twee uur volbrengen, ik ben niet op de afgesproken tijd terug bij mijn geliefden in Nederland. Dat vliegtuig is weg voordat ik op het vliegveld ben.

Stop. Ik moet zien over te stappen op expert’s mind.

Ik kijk op de metrokaart van Tokyo, een spinnenweb van fel gekleurde draden en knooppunten met namen die allemaal op elkaar lijken. Er moet een snellere manier zijn dan mijn iPhone suggereert.

Gewoon de Chiyodalijn via Tokyo Station naar Hamammasuchi nemen, overstappen op de monorail richting Hameda, met mijn verlopen Japan Rail Pass naar de stationschef wapperen en rakelings langs hem heen rennen.

Dat vliegtuig, ga ik halen.

Tokyo, 10 mei 2014 | zie ook Japan in Image lab

 

 

Lost in Translation

De laatste stop van de spoorlijn van Osaka naar Koyasan heet Brug naar het Paradijs, tergend langzaam klimt de  kabeltrein de berg op. In het dal groeien bomen in de vorm van gigantische grassprieten, met een doorsnede van nog geen halve meter reiken ze vijftig meter de lucht in.

De toegang tot het paradijs is efficiënt geregeld.

Een Japanner in uniform en hagelwitte handschoentjes vraagt aan iedere passagier: welke tempel? Hij wijst ze de juiste bus aan en zegt hoeveel een kaartje kost. Ik heb geen tempel, maar ook daar is een bus voor. De chauffeur zet me af bij een kantoortje waar ik kan kiezen uit 52 tempels om de nacht door te brengen. Tempel 29 heeft nog plaats.

Kukai, later bekend als Kobo Daishi (de Grote Meester die de Boeddhistische Leer Propageerde), stichtte twaalf eeuwen geleden op deze plek een tempel, nu leeft het dorp van de tempel business. De Grote Meester is de grondlegger van het esoterische Shingon boeddhisme. Het verhaal gaat dat Kukai nog altijd op de berg verkeert, hij is niet levend en niet dood, maar verzonken in eeuwige meditatie voor de bevrijding van alle levende wezens. Zijn mausoleum staat op de top van de berg.

Het is een pelgrimsoord voor miljoenen Japanners. Ze komen uit het hele land om hem te begroeten, wierook te branden, mantra’s te prevelen.

Na de vuurceremonie die de volgende ochtend anderhalf uur duurt, met wierook en brandende kruiden in een half verduisterd vertrek waar monniken mantra’s reciteren, legt een van de monniken uit waar het werk van Kukai op gericht is. To attain enlightenment in this very body. Verlichting voor iedereen, in dit bestaan. Niemand hoeft daarvoor een eeuwigheid lang te mediteren en eindeloze reïncarnaties mee te maken, zoals de algemene overtuiging in de tijd van Kukai was.

De monnik zwerft met zijn blik over de gasten van zijn tempel, en laat hem dan op mij rusten. Strak kijkt hij me aan. Do you believe that? Natuurlijk. Off course, herhaalt hij, met een licht cynische ondertoon die er naar mijn weten bij mij niet in zat. Daarna leert hij ons een mantra.

Kukai schreef behalve filosofische werken ook gedichten.

A mantra is suprarational | It eliminates ignorance when meditated upon and recited | A single word contains a thousand truths | One can realize Suchness here and now | Walk on and on until perfect quiescence is reached | Go on and on until the primordal Source is penetrated.

In Kyoto zag ik vanmorgen een billboard met George Clooney, hij beveelt een alcoholisch drankje aan, zoals Bill Murray in de film Lost in Translation, die zich afspeelt in Tokyo.

Tokyo, 9 mei 2014 |  zie ook Japan in Image lab

 

Zappa in Japan

De laatste paar dagen bracht ik wifi-loos door aan de westkust van Japan. Losgezongen van google maps en booking.com was ik uitsluitend aangewezen op de Japanners om me heen.

We travel, initially, to lose ourselves; and we travel, next, to find ourselves. Pico Iyer. Dat eerste is me aardig gelukt, het tweede moet nog blijken.

Pico Iyer, een Britse schrijver van Indiase afkomst, liep 22 jaar geleden door dezelfde straten als ik vanochtend liep. Hij was op slag verliefd op Gion, het Geishadistrict in Kyoto, en daarna op een Japans meisje, met wie hij trouwde. Na een kleine kwart eeuw met haar in Japan schrijft hij: ik ben nog altijd een gaijin, een buitenlander, een vreemdeling, een alien.

De verbijstering van de eerste dagen in een land met onbegrijpelijke tekens en ondoorgrondelijke wezens was aan de westkust weg. De lucht was ijl.

Japanners waren niet langer de zwijgende massa’s in de metro van Tokyo en de niets ziende voorbijgangers op de trottoirs van Kyoto. Japanners, dat waren een zenmeester, een herbergier, een schrijfster van boeken over de Japanse cultuur en een oude bankier die op het einde van een lange avond de flamenco speelde op zijn gitaar. Ik had ze nooit in mijn eentje kunnen vinden.

Tracey bracht me bij ze, een Canadese vrouw van in de vijftig, met het formaat van een sumoworstelaar, scheuten paarse en groene plukken in haar wilde grijze krullenbos. Ze woont op drie uur rijden van Kyoto, midden in de bergen, in een zelfgebouwd huis waar ze keramische potten bakt en platen van Frank Zappa draait.

De schrijfster en de bankier ontvingen ons in een oude boerderij waar de schrijfster liet zien hoe je een traditionele Japanse maaltijd bereidt. De jeugd eet alleen maar fast food, zei ze. Ze kijken de hele dag op smart phones. Ze eten niet meer aan tafel . Ze weten niet hoe ze een conversatie moeten voeren. Yoshimi Nakagawa wil de tradities opschrijven, voordat ze allemaal verdwenen zijn, haar laatste boek heeft als titel Het Japan van niet zo heel lang geleden. De bankier en Tracey worden luidruchtiger naar mate de fles sake leger raakt, Yoshimi’s kin zakt langzaam op haar borst. Maak je geen zorgen, zegt Tracey, dat doet ze altijd.

De sake was een geschenk van de zenmeester waar we eerder op de dag te gast waren. Jiku Miyazaki liet zonnepanelen op het dak van zijn tempel plaatsen, op een digitaal schermpje ziet hij precies hoeveel kilowattuur stroom hij opwekt en verbruikt.

Ik vroeg hem naar suchness, een boeddhistisch concept waarover ik al een tijdlang mijn hoofd breek, zoheid: de dingen zien zoals ze zijn, zonder tussenkomst van zintuiglijke indrukken en redeneringen. Hoe kan dat? Hoe kun je iets waarnemen zonder waarneming?

Op tafel stonden nog de overblijfselen van de maaltijd die zijn vrouw voor ons had bereid, ik pakte een tomaatje uit de salade. Hoe kan je zonder inschakeling van je zintuigen weten dat dit een tomaatje is?

Hij zei: is het nodig om dat te weten?

Koyasan, 7 mei 2014 | zie ook Japan in Image lab

Krankzinnig

Op het nachtkastje van mijn hotel ligt The Teaching of Buddha, waar in Amerikaanse hotels doorgaans de bijbel ligt. Ik lees een passage over een man die krankzinnig werd toen hij in de verkeerde kant van de spiegel keek en zichzelf niet zag. Het commentaar van de Boeddha: hoe onnodig om krankzinnig te worden, alleen maar omdat je jezelf niet in de verkeerde kant van de spiegel ziet.

Sommige mensen worden krankzinnig als ze zichzelf in de goede kant van de spiegel zien. De Boeddha zou zeggen: hoe onnodig.

De monniken in Eiheiji tempel trainen hun geest, om niet langer misleid te worden door hun zintuiglijke indrukken, hun gedachten, hun emoties. Ik zag ze gisteren in de tempel zitten, in lotushouding, gezicht naar de wand, ruggen kaarsrecht: rijen kaalkoppen in shikantaza, ‘just sitting’. Alleen maar zitten, om de bewegingen van de geest te doorgronden en de geest vrij te laten zwerven.

Het zwerven van de vrije geest: dat moet nog mooier zijn dan dwalen in een stad vol vreemde tekens, zonder wifi om je terug op het pad te krijgen. In The Teaching of Buddha lees ik dat alles in deze wereld ontspringt aan de geest.

Bij het uitchecken vraag ik aan het receptiemeisje of ik het boek kan kopen. Hoewel de verleiding groot was, heb ik het niet gewoon in mijn koffer gestopt. Nee, zegt ze, dat kan niet. Ik stel voor dat ze het aan haar manager vraagt. Ze trippelt weg en komt even later terug. Three. Driehonderd? No, three. Ze zegt free. Ze geeft me The Teaching of Buddha voor niets.

Op het station raakt mijn armbandje verstrikt in het hengsel van mijn rugzak en de trein komt er zo aan. Ik wil noch mijn armband noch mijn rugzak kapot trekken, maar zolang ze aan elkaar zitten, kan ik niet opstaan. Het is als de vis en de haak. Ik hoor mijn trein het station binnenrijden, maar het armbandje komt alleen maar vaster te zitten.

Dan buigt een Japans vrouwtje zich over me heen, met haar knoestige vingers peutert ze het slotje open, ze glimlacht, en dat maakt alles weer anders.

Obama, 3 mei 2014 | zie ook Japan in Image lab

Eiheiji

In de lokale trein van Kyoto naar Eiheiji Guchi voert de conductrice een eenakter op. Ze heeft een beige mantelpakje en beige pumps aan, en een beige bolhoedje op haar hoofd. Ze schraapt haar keel en zingt de namen van de stations. Bij elk station buigt ze sierlijk en secuur, als de trein in beweging komt loopt ze door het gangpad om voor iedere passagier een buiging te maken.

Ik heb de tekens van Eiheiji Guchi op een papiertje geschreven, in de treinen is geen Latijns alfabet meer te zien. De conductrice tekent de plek waar ik de bus naar Eiheiji Tempel moet hebben, in zwarte en rode inkt.

De bus die ze getekend heeft staat precies op de plek die ze getekend heeft. Twee haltes verder stapt een Engelachtig meisje in, aan haar voeten heeft ze orthopedische schoenen met plastic plateauzolen en haar kuiten, zo dun als haar armen, steken in ijzeren beugels. De levenslust die uit haar ogen spreekt, trekt zich niks aan van die benen. De buschauffeur verandert door haar op slag van een norse sumoworstelaar in een suikeroom.

De oma van het meisje staat haar op te wachten bij de halte van Eiheiji Tempel. Nergens een tempel te zien. Eiheiji?, vraag ik aan de buschauffeur. De oma en de suikeroom moeten allebei heel hard lachen: ja, dit is Eiheiji. De weg naar de tempel maakt een bocht en voert dan omhoog, met aan weerszijden winkels die tempelsouvenirs verkopen. Monniken aan sleutelhangers, wierook met de naam van de tempel en T-shirts met Eiheiji erop.

‘s Avonds moeten om 9 uur de lichten in de tempel uit. Ik lig op een futon in een spaarzaam ingerichte kamer, het enige geluid komt van een bergstroompje. Morgen begint de dag om 3 uur ‘s nachts. Kosuken, een jonge monnik die me bij aankomst is toegewezen, zal me wekken om naar de zendo te gaan.

Het Engelachtige meisje zwaaide naar me toen de bus wegreed.

To study the Buddha way is to study the self, to study the self is to lose the self, to lose the self is to be enlightened by all things in universe. Zenmeester Dogen schreef deze regels op deze plek, in de bergen vlakbij Fukui, een zielloze stad die toen nog niet bestond. Ik liep er vanmiddag rond op zoek naar een geldautomaat, om de overnachting in Eiheiji te kunnen betalen.

Fukui, 2 mei 2014 | | zie ook Japan in Image lab

Lef en schaamte

Licht verwilderd kijken de koks/barmannen me aan zodra ik hun etablissement binnenkom. Inmiddels kan ik ze in hun eigen taal begroeten, en zeggen dat ik geen vlees eet. Voor sommige is dat het teken om opgelucht adem te halen. Dekimasen. Niet mogelijk. We serveren hier uitsluitend vlees. De stukken vis liggen in plastic folie voor hun neus, maar ik neem mijn verlies en druip af.

Aan de bar van het volgende eethuis zit Osamu Tsujimoto. Hij vult de gaten die vallen in de moeizame conversatie met de barvrouw, die bij mijn binnenkomst toegaf dat ze een beetje Engels spreekt. Osamu legt uit dat de poffertjes die de kok staat te bakken van inktvis en meel gemaakt zijn. Hot or spicy?, vraagt de barvrouw. Je kan de inktvis er altijd nog uitpeuteren, zegt Osamu.

Het kraakt in zijn hoofd als Osamu denkt aan de Engelse grammatica terwijl hij Engels probeert te spreken. Hij heeft in een boek gelezen dat hij zich niets moet aantrekken van de Engelse grammatica. Anders komen de zinnen niet uit zijn mond. Het helpt ook dat hij voor een bedrijf werkt waarvan het hoofdkantoor in Zweden staat, soms moet hij emails in het Engels schrijven. Dan verbiedt hij zichzelf ook om aan grammatica te denken.

Osamu laat me het verschil tussen koude en warme sake proeven. De repen papier met rode Japanse tekens die boven de hoofden van de gasten hangen, zijn de soorten sake en andere dranken die men hier schenkt. Ik ben in een Izakaya terechtgekomen. Daar waar gegeten wordt om het drinken te vergemakkelijken.

Zorgeloos vinden bier en sake hier de weg naar vermoeid ogende mannen en een enkele dame, die hier hun momenten van vergetelheid hebben.

Osamu zit hier om te vergeten dat vandaag op zijn werk een klacht binnenkwam van een grote klant. Ik vraag hoe het komt dat niemand wat tegen me zegt.

Japanners willen de grammatica perfect beheersen. Ze willen niet tekort schieten, ze willen behulpzaam zijn, ze denken dat dat zonder grammatica niet gaat. Ze hebben Engelse les op school gehad, maar er is nooit iemand om mee te oefenen. Als er dan uit het niets een buitenlander voor ze staat, dan hebben ze te veel schaamte en ontbreekt het de meesten aan lef.

Kyoto, 30 april 2014 | zie ook Japan in Image lab