Maandelijks archief: april 2014

Lef en schaamte

Licht verwilderd kijken de koks/barmannen me aan zodra ik hun etablissement binnenkom. Inmiddels kan ik ze in hun eigen taal begroeten, en zeggen dat ik geen vlees eet. Voor sommige is dat het teken om opgelucht adem te halen. Dekimasen. Niet mogelijk. We serveren hier uitsluitend vlees. De stukken vis liggen in plastic folie voor hun neus, maar ik neem mijn verlies en druip af.

Aan de bar van het volgende eethuis zit Osamu Tsujimoto. Hij vult de gaten die vallen in de moeizame conversatie met de barvrouw, die bij mijn binnenkomst toegaf dat ze een beetje Engels spreekt. Osamu legt uit dat de poffertjes die de kok staat te bakken van inktvis en meel gemaakt zijn. Hot or spicy?, vraagt de barvrouw. Je kan de inktvis er altijd nog uitpeuteren, zegt Osamu.

Het kraakt in zijn hoofd als Osamu denkt aan de Engelse grammatica terwijl hij Engels probeert te spreken. Hij heeft in een boek gelezen dat hij zich niets moet aantrekken van de Engelse grammatica. Anders komen de zinnen niet uit zijn mond. Het helpt ook dat hij voor een bedrijf werkt waarvan het hoofdkantoor in Zweden staat, soms moet hij emails in het Engels schrijven. Dan verbiedt hij zichzelf ook om aan grammatica te denken.

Osamu laat me het verschil tussen koude en warme sake proeven. De repen papier met rode Japanse tekens die boven de hoofden van de gasten hangen, zijn de soorten sake en andere dranken die men hier schenkt. Ik ben in een Izakaya terechtgekomen. Daar waar gegeten wordt om het drinken te vergemakkelijken.

Zorgeloos vinden bier en sake hier de weg naar vermoeid ogende mannen en een enkele dame, die hier hun momenten van vergetelheid hebben.

Osamu zit hier om te vergeten dat vandaag op zijn werk een klacht binnenkwam van een grote klant. Ik vraag hoe het komt dat niemand wat tegen me zegt.

Japanners willen de grammatica perfect beheersen. Ze willen niet tekort schieten, ze willen behulpzaam zijn, ze denken dat dat zonder grammatica niet gaat. Ze hebben Engelse les op school gehad, maar er is nooit iemand om mee te oefenen. Als er dan uit het niets een buitenlander voor ze staat, dan hebben ze te veel schaamte en ontbreekt het de meesten aan lef.

Kyoto, 30 april 2014 | zie ook Japan in Image lab

Bungy jumpen

De zwarte daken van de Shunkoin Tempel glimmen van de regen. Ik denk aan het verschil tussen romantische eenzaamheid en schrijnende eenzaamheid.

De beroemde zenmeester D.T. Suzuki plantte in de tuin van deze tempel een azalea. Het boek van zijn ongeveer even beroemde naamgenoot Shunryu Suzuki ligt op de theetafel, Zen Mind, Beginner’s Mind, waarvan ik de eerste zin nog altijd niet vat. In the beginner’s mind there are many possibilities, but in the expert’s mind there are few.

Taka Kawakami, zenpriester, zegt dat westerlingen die naar hem toekomen voor een ‘authentieke zen-ervaring’ niets anders zoeken dan bungy jumps. Snelle kicks waar thuis niets meer van over is. Taka Kawakami levert geen authentieke zen-ervaringen.

Na zijn studie aan de Arizona State University nam hij de Shunkoin Tempel van zijn vader over en maakte er een overnachtingsplaats van voor westerse toeristen. Voor mij was geen plek in de tempel, maar ik mag wel met de andere gasten zijn zenles bijwonen.

De westerlingen komen bij hem met wilde fantasieën over verlichting. Hij spoort ze aan om in een Sanskriet-Engels woordenboek te kijken, dan kunnen ze zien dat verlichting niets anders betekent dan: gelukkig zijn.

Ze kunnen het in zijn tempel leren, hoe ze gelukkig moeten zijn. Hoe ze thuis gelukkig kunnen zijn. Sleutel is de training van de geest: niet langer willen dat de dingen anders zijn dan ze zijn.

Het regent nog steeds en ik wil niet verlangen naar de zon, maar ik doe het toch.

De westerse gasten hoeven van Taka Kawakami niet in lotushouding op een kussen te zitten. Het is zinloos om met stijve ledematen hetzelfde te willen doen als eeuwen geleden, toen dit de voorgeschreven houding was. Voortgekomen uit een cultuur waar het leven in huis zich op de vloer afspeelt. In elke houding kun je de geest trainen om niet verstrikt te raken in gedachten en emoties over gebeurtenissen en toestanden die je anders wilde dan ze zijn. Door op niets anders dan de ademhaling te letten.

Kawakami wijst op de brug van zijn neus. Op die plek, aan de binnenkant, komen veel zenuwen samen, het is een goede plek om de ademhaling te volgen.

Romantische eenzaamheid is zelfgezocht en bijna altijd tijdelijk. Schrijnende eenzaamheid dringt zich op, hij is schrijnend omdat je denkt dat hij nooit meer weggaat. Het is een eigenschap in plaats van een toestand geworden.

De kleine restaurants in Kyoto hebben voor hun ingang doeken hangen met Japanse tekens. Je ziet niet wat zich daarachter afspeelt. Om naar binnen te gaan moet je de doeken opzij schuiven, als een acteur die het toneel opkomt.

‘s Avonds kom ik op in een bijna leeg restaurant, ik ga aan de schaars verlichte bar in een hoekje zitten, met uitzicht op een aquarium en de kok die sushi aan het bereiden is. Mijn gezelschap van vanavond: levende vissen en in mootjes gehakte vissen.

Kyoto, 30 april 2014 | zie ook Japan in Image lab.

Geisha’s

In Kyoto wou ik dat ik thuis was, dromend over Kyoto. Dan was ik allang in het eeuwenoude geishadistrict Gion en daarna bij het Nijo Kasteel van de vroegere shoguns. Dan hoefde ik nu de straat niet op. De hele stad is een obstakel om in de stad de weg te vinden, de gezichten van de mensen zitten op slot. Ze zien me niet. Ze horen me niet. Ik voel me al drie dagen lang genegeerd en dat is lastig voor iemand die niet genegeerd maar begeerd wil worden of op zijn minst gezien. Begeerd willen worden is een zwakte, alsof je niet genoeg hebt aan de waardering die je voor jezelf kunt opbrengen.

Depending on others denies the Buddha inside you. Zenmeester Dogen. Over een paar dagen klop ik aan bij zijn tempel, hij richtte hem in 1244 op uit onvrede met de richting die het boeddhisme in Japan had genomen. Ik maak er niks van. Ik hang af van de blik van de ander en de boeddha laat zich niet zien.

Ik vraag het receptiemeisje om instructies om naar Gion te komen, en haar gezicht breekt  open. Daarna breekt het gezicht open van het oude vrouwtje bij de bushalte, althans het gedeelte dat ervan te zien is boven haar mondkapje. Ze wijzen me de weg. Ze hebben het beste met me voor.

De bus is behangen met Japanse tekens, ergens daartussen moeten de haltes vermeld staan. Het is een geluk dat een videoscherm ze ook laat zien, met de juiste uitspraak erbij.

De oude vrouw duwt me zowat de bus uit bij de halte die ik volgens haar moet hebben. Het receptiemeisje had gezegd dat ik tot het eindpunt moest blijven zitten, maar ik durf niet te protesteren. Dan blijken de trottoirs te wemelen van Japanners van wie de gezichten kunnen openbreken. Ze zeggen dat ze geen Engels spreken, en toch wijzen ze me de weg. Met de vinger op de kaart, met lange uithalen in hun Japanse uitleg, met knikken en buigen, krijgen ze me richting Gion.

Japanners uit het hele land en hier en daar een westerse toerist gebruiken het geishadistrict als het decor voor hun foto’s. Ze zetten elkaar voor de houten huizen met rode lantaarns en het liefst naast een van de geisha’s die zelf ook met hun camera door de straten flaneren. Een Japanner met een hip baardje en een ouderwets grote camera vraagt in het Engels waar ik vandaan kom. Als hij Holland hoort, schakelt hij over op Duits. Hij heeft jaren in Berlijn gewoond en vraagt of hij met zijn Hasselblad een foto van me mag maken. Iedereen zet hier iedereen op de foto. Het is een mooi tijdverdrijf, de bevriezing van momenten die allang niet meer bestaan, de Japanner uit Berlijn beseft niet dat hij me gered heeft.

Kyoto, 27 april 2014 | zie ook Japan in Image lab

Drop outs

Afspreken met een Amerikaan op een metrostation in Tokyo is niet zo moeilijk, het is alsof je samen op een eiland staat. John woont al zeven jaar in Tokyo. Het is dat zijn Japanse vrouw terug naar huis wilde, anders was hij liever met haar in Thailand blijven wonen. De mensen lijken daar meer op de mensen in Californië, relaxed, waar hij vandaan komt en als ze bij hem op bezoek zijn vragen ze: kun je de Japanners aan ons uitleggen? Man, I am American, what do I know? They are Asian and they don’t even get the Japanese. John kan me wel uitleggen dat de huidige drie generaties Japanners ook voor elkaar onbegrijpelijke wezens zijn. De oude mensen denken en leven volgens de traditie. Ze zijn zwaar in de meerderheid, wat betekent dat het aantal Japanners in een steeds sneller tempo zal slinken, tot er over twintig jaar van de 127 miljoen Japanners nog maar 100 miljoen over zijn. Hun kinderen groeiden op tot de mannen in pak en de vrouwen met shopping bags die de metro bevolken. Ze willen niet opvallen want ze willen niet buiten het systeem vallen. Wat bij ons het hoofd is dat je niet boven het maaiveld moet uitsteken, is hier de spijker die niet uit de plank moet steken. Hij wordt er meteen in getimmerd. John hoeft het subtiele gezelschapspel van binnen- en buitensluiten niet mee te spelen omdat hij Amerikaan is. Zijn collega’s zien hem niet als een bedreiging. Als hij het wel mee zou moeten spelen was hij zeker teruggegaan naar Thailand. Aan de studenten aan wie hij Engelse les geeft, ziet hij dat de kinderen van deze Japanners meer te kiezen hebben dan hun ouders op die leeftijd. Het brengt een waterscheiding met zich mee. Een grote groep treedt alsnog in de voetsporen van de ouders, door een universitaire studie te volgen met het oog op een carrière. De rest breekt daar finaal mee. Het levert een samenleving op van drop outs, omdat buiten het systeem niets bestaat. John geeft me de cijfers erbij. Japan heeft twee miljoen ‘shut ins’, jongeren die zichzelf in hun kamer opsluiten met hun elektronica en het huis niet meer verlaten. Vier tot acht miljoen ‘freeters’ (van het Engelse ‘free’ en het Duitse ‘arbeiter’), die tijdelijke parttime banen hebben in plaats van de baan voor het leven die hun vaders hadden. Als ik Japanners wil ontmoeten die zelf wel bepalen hoe ze leven en hoe ze erbij lopen, dan moet ik onder de freeters zoeken. Ze hebben paars haar.

Tokyo, 25 april 2014  | zie ook Japan in Image lab

Bodysnatchers

Het is een stad zoals de steden in het westen. Glas en beton, neon en asfalt. Alleen zag ik Tokyo vandaag met jetlag-ogen als een stad overgenomen door bodysnatchers die er allemaal hetzelfde uitzien, dezelfde bewegingen maken en in dezelfde code praten. Op de roltrappen staan ze niet alleen links in het gelid, ook vóór de roltrap staan ze links in het gelid. Eén voor één maken ze de stap die hen geruisloos naar boven of beneden brengt. In de metro wordt geen woord gesproken, heel soms klinkt gefluister. Acht van de tien staren naar smartphones, drie van de tien dragen een mondkapje. Niemand kijkt vreemd op van een mondkapje en niemand kijkt vreemd op als je géén mondkapje draagt. Alle hoofden staan tussen de vijftien en twintig graden naar beneden gericht, ingekapseld in een eigen universum. Op de perrons is een onzichtbare cirkel van een meter doorsnede rond ieder persoon getrokken, waar de ander buiten blijft. Als dit in het spitsuur onhoudbaar wordt, dan schuiven de lichamen met de rug naar het gezicht van de ander stukje bij beetje de cirkel binnen. De interactie is tot het minimale teruggebracht. Zodat je efficiënt van A naar B kunt komen, in een systeem waar miljoenen anderen precies hetzelfde voor ogen hebben. Zelfs als je afwijkend van de norm bent, zoals ik met groen haar (bruin haar is hier groen omdat het nu eenmaal niet zwart is) en duivelsblauwe ogen, schrijft de norm voor om te doen alsof dat niet zo is. Het geeft een ongekende bewegingsvrijheid, nergens laten de mensen je zo met rust als in de metro van Tokyo. Maar het maakt het ondergrondse verkeer ook steriel en de passanten ondoorgrondelijk.

Tokyo, 24 april 2014 | zie ook Japan in Image lab

Wonderlijk land

Morgen weg van hier, om een dag later in Tokyo aan te komen. Pas was ik op bezoek bij een Chinese dame, die me in een middagje de beginselen van de Japanse taal zou bijbrengen. Ze woont bij de molens van Kinderdijk, maar voordat ze met een Hollander trouwde, woonde ze zeven jaar in Tokyo. Ik moest mijn schoenen uitdoen, ze gaf me slippers te leen. Ze waarschuwde dat virtually nobody in Japan Engels spreekt. Wonderlijk land. Dat ene lesje Japans gaat echt niet voorkomen dat ik daar volkomen de weg kwijtraak.

Rotterdam, 22 april 2014